
Mijn lichaam en ik hebben een haat-liefde verhouding. Ik ben eigenlijk gewoon te dik. Toen ik dat niet was, was ik gewoon te dun. Of te hoekig. Of te onzeker. Hoe het ook zij, elke versie van mij heeft een aversie tegen mij. Tot die dat soms even niet heeft. En hoeveel ik ook hou van mijn intelligentie, mijn scherpzinnige humor, mijn sterke geest. Ik mis altijd dat moment dat ik, in welke versie en welke hoedanigheid dan ook, zo lekker in mijn vel zit dat ik alle ogen op mij richt.
Ik wil geen wasbord en ik wens geen conditie. Ik wil niet kunnen rennen of vechten of sporten of tuinieren. Ik wil geen kracht kunnen uitoefenen. Ik wil fysiek ergens staan, mijn lichaam draaien en weten dat mijn 60 of 100 kilo alle ogen gevangen houden. Niet om hun kracht en vorm maar omdat het onmogelijk is ergens anders naar te kijken.
En daarom ben ik, met al mijn veelteveelkilo’s en rode vlekken en afgekloven lippenstift zo godverdomde mooi nu. Omdat ik toneelspeelde en losging en danste tot de wereld kon vergaan en heupen schudde en mensen vasthield en van ze houden kon. Omdat het voor mij allemaal niet uitmaakte hoe of wie of wat ik was. Ik was, en was, en was, zo mooi.
Zo mooi dat werelden om me draaien. Ik weet van de extra kilo’s, de pieken, de afgekloven lippenstift. Maar het is niet het uiterlijk dat knap maakt. Of het karakter. Zelfs niet de indringende blik. Fysieke aantrekkelijkheid heeft eigenlijk weinig te maken met fysiek.
Want als ik echt kan voelen en geloven dat ik mooi ben, is er geen vrouw, geen man, geen mens, zo ongelooflijk aantrekkelijk als ik.



